Zomercolumn Mariska Wilschut: blik van buiten
De eerste 100 dagen in de raad
Beeld: D66
De eerste keer dat ik me echt raadslid voelde, was niet tijdens mijn beëdiging. Het was de week ervoor. De campagne was voorbij. De spanning ook.
De nieuwe fractie zat voor het eerst bij elkaar. Ik had me erbij neergelegd dat ik nét niet gekozen was. Ook prima. Ik was trots op wat we hadden bereikt. En net niet gaf ineens weer ruimte voor wat wél. Gewoon even thuis zijn, bijvoorbeeld.
Tot dat telefoontje. “Volgens mij mogen we je feliciteren.” Ik begreep hem eerst niet. Dankzij voorkeurstemmen zat ik er ineens toch in. Het blijft een vreemd idee dat mensen soms meer vertrouwen in je hebben dan jijzelf.
Sindsdien vragen mensen me regelmatig wat mijn geheim is. Alsof ik een verkiezingstruc achter de hand houd. Ik moet ze teleurstellen. Ik heb geen geheim. Sterker nog: ik heb geen idee. Ik stel vooral graag vragen. Over dingen die vanzelfsprekend lijken. Misschien is nieuwsgierigheid wel onderschat.
Ik dacht dat de grootste verrassing de politiek zou zijn. Dat bleek niet zo. De grootste verrassing zijn de mensen. Neem de coalitieonderhandelingen. Van buiten had ik me vurige debatten voorgesteld. Nachtwerk. Rode hoofden. Grote idealen die over tafel zouden vliegen.
In werkelijkheid keek ik naar iets anders. Naar mensen die elkaar aftastten. Piketpaaltjes die zorgvuldig werden neergezet. En pas toen ik dacht dat we klaar waren, begon het echte onderhandelen. Niet over de toekomst van Amstelveen, maar over commissies. Portefeuilles. Wethouders. Wie waar kwam te zitten. Zelfs over de laptop. Democratie is soms verrassend praktisch.
Alsof je tijdens een familiediner eerst drie kwartier over de tafelschikking praat en daarna pas vraagt wie er eigenlijk honger heeft. Ik bedoel dat niet cynisch. Integendeel. Juist daar begon mijn verwondering. Want achter iedere stoel zat iemand die oprecht dacht de stad daarmee beter te kunnen dienen. Dat zie je van buiten niet.
Net zoals je niet ziet hoeveel professionals iedere dag aan die stad werken. Ik heb diep respect gekregen voor het ambtelijk apparaat. Voor mensen die hun dossiers kennen tot achter de komma en ze vervolgens nog geduldig weten uit te leggen aan mensen die dat allemaal voor het eerst meemaken.
Tegelijk blijft het een wonderlijk idee dat zo’n professionele organisatie uiteindelijk wordt bestuurd door gewone inwoners die zich verkiesbaar hebben gesteld. Misschien is dat wel de mooiste democratische gedachte die ik ken.
Tijdens bijeenkomsten in het raadhuis en elders in de stad keek ik met minstens zoveel belangstelling naar onze burgemeester. Hij bezit een bijzonder talent. Waar je ook kijkt, hij lijkt daar nét geweest te zijn. Een hand hier. Een welkom daar. Een oog voor wie nog niemand gesproken heeft. En een geheugen waar menig raadslid jaloers op mag zijn. Misschien is protocol uiteindelijk gewoon een andere vorm van gastvrijheid.
Ondertussen probeer ik één ding heel bewust vast te houden. Mijn blik van buiten. Want ik merk hoe verleidelijk het is om langzaam dezelfde woorden te gebruiken als iedereen in het raadhuis. Gemeenschappelijke regeling. MPP. Buitenruimte. P&C-cyclus. Interpellatie. Stemverklaring. Terwijl iemand in de supermarkt gewoon vraagt: “Waarom duurt het eigenlijk zo lang?”.
Dat is de taal die ik niet kwijt wil. Net zomin als de verwondering. Ik wil mijn familienaam eer aandoen. Maar belangrijker nog: ik wil nooit zo gewend raken aan het systeem dat ik vergeet hoe het eruitziet voor iemand die er niet iedere woensdagavond zit.
Misschien is dat wel de grootste opdracht. Niet om overal een antwoord op te hebben. Maar vragen blijven stellen alsof je gisteren pas bent begonnen.
Na honderd dagen weet ik één ding zeker. Verbazing zet mensen tegenover elkaar. Verwondering nodigt ze uit om naast elkaar te gaan staan. En ik hoop dat ik dat laatste nooit verleer.
The post Zomercolumn Mariska Wilschut: blik van buiten appeared first on D66 Amstelveen.
