Normale weergave

Column: ‘Donald denkt door’

6 Mei 2026 om 14:55

Nederland is ‘Lost in translation’

Door Donald Esser.

Eén van onze lezers tipte mij: Bob Berkemeijer. Een Nederlandse taalpuritein en daar heb ik sympathie voor. Net als ik zit hij, zo schat ik in, met enige regelmaat met een nulprocentje op de bank, starend naar het tekstuele Nederlands-Engelse geweld, dat zich dagelijks over ons uitstort. En telkens weer valt ons hetzelfde op: waarom moet werkelijk elke reclame al is het maar half in het Engels?

Bekken Engelse slogans echt lekkerder of zijn we ongemerkt beland in structurele verwaarlozing van onze eigen taal? Je kunt geen krant openslaan, geen tv of radiospot zien of beluisteren of er wordt tegen je geschreeuwd in een taal die we allemaal ongeveer verstaan, maar zelden nog echt vóélen. Engels verkoopt, zo luidt de mantra. Engels is internationaal. En vooral efficiënt: een slogan, uitgerold over honderden landen, nul nuance inbegrepen.

Bob hield een privéarchiefje bij en inventariseerde reclameuitingen. En dat deelde hij met mij. Ford wil dat wij ‘Go further’. Nescafé nodigt ons uit om te ‘resmart’, een werkwoord dat vermoedelijk alleen op de marketingafdeling bestaat. Nissan belooft innovatie ‘That excite’, waarbij de spanning vooral ontstaat door de ontbrekende s.

Het probleem is niet dat Engels soms handig is. Het probleem is, dat niemand meer controleert of het ook íéts zegt, laat staan of het klopt. Het Engels is verworden tot decoratie. Zoals geurstokjes: het staat leuk op tafel, maar het ruikt al lang nergens meer naar.

Omdat we die commercials toch al noodgedwongen consumeren, is een vorm van nasynchronisatie eigenlijk geen overbodige luxe. Alsof iemand met enig taalgevoel er even ondertitels bij heeft gezet. Niet om te ridiculiseren, maar om hoorbaar te maken wat er nu eigenlijk bedoeld wordt. Renaults ‘We start your heart’ vertaalt zich dan moeiteloos naar: wij laten u zich heel even jonger voelen dan u bent. Fords ‘Go further’ blijkt vooral te betekenen: u rijdt door tot de afslag die u eigenlijk al voorbij bent. Auping zegt feitelijk: u slaapt iets lekkerder, maar maandag blijft gewoon maandag. En Allianz fluistert: slim zijn is niet moeilijk, tenzij u de polis leest.

Bij andere merken wordt de ondertiteling ronduit ontnuchterend. ‘Taste is king’ van Burger King luidt in begrijpelijk Nederlands: u weet dat dit geen haute cuisine is. ‘Let your home smile’, ooit van Trendhopper, betekent: uw huis lacht, uw bankrekening huilt. En wanneer de ANWB ons vraagt onze auto ‘connected’ te maken, rest slechts de eerlijke vertaling: sorry, we zijn de taal even kwijt.

Soms ontspoort het volledig. ‘Feature your imaginations’ (Kenwood) is geen slogan, maar een cry for help. ‘Every step off the way’ van investeringsbank Gilissen is geen visie, maar een letterlijke misstap. En als zelfs goede doelen als het Rode Kruis oproepen om een ‘lifeline te joinen, vraag je je af waarom ‘help gewoon mee’ ineens te gewoontjes klinkt.

Alles moet tegenwoordig experience zijn. Alles is future, power en connected. En ondertussen raken we iets kwijt wat juist zo effectief kan zijn: een scherpe Nederlandse zin. Een slogan die je onthoudt. Die schuurt. Die prikkelt. Die je even laat glimlachen. Puur Nederlands en ijzersterk: ‘Ik wil Bolletje’. Of ‘Petje Pitamientje’ van Calvé. En later natuurlijk ‘Even Apeldoorn bellen’. Goud. En deze klassieker: ‘Wij van WC Eend adviseren WC Eend’.

Een zin die inmiddels is uitgegroeid tot een vaste uitdrukking voor een niet-objectief advies. Allemaal lekker in onze oertaal. Maar ja, dat vraagt moeite. En taalgevoel. En de bereidheid om niet klakkeloos het Engels te omarmen, omdat het nu eenmaal ‘on brand’ is.

Sorry, waarschijnlijk te veel Engelse woorden gebruikt. En precies, dáár wringt het.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

29 April 2026 om 14:48

Hoe komt vuurwerk een stadion in?

Door Donald Esser.

Hoe komt vuurwerk een stadion in? Het is inmiddels zo’n klassieker, die thuishoort naast: waar blijft een van mijn witte sokken na de was van mijn vrouw? En waarom staat de file altijd precies dáár waar ik moet zijn als ik rijd van mijn thuislocatie Vinkeveen naar de redactie in Aalsmeer?

Maar bij voetbal lijkt het antwoord pijnlijk eenvoudig: vuurwerk komt een stadion in, omdat niemand echt wil weten hoe. Natuurlijk, het is sfeer verhogend, fantááástisch. Ik vind een knallend evenement prachtig. Maar toch… Laten we ff bij de les blijven. 

Neem Cambuur-Vitesse van afgelopen weekend, gestaakt na 88 minuten door een vuurwerkexplosie van: ‘Ik ben het er niet mee eens’. De wedstrijd is door de KNVB officieel als uitgespeeld bestempeld. Of de recente KNVB-bekerfinale tussen AZ en NEC in de Rotterdamse de Kuip; een wedstrijd die later begon dan gepland, onderbrekingen langer dan de gemiddelde analyse aan een voetbalpraattafel. Overal blauwe rook, veel mist. Geen voetbal, wel vuur. En meest recent zondag 26 april: Heracles-FC Volendam, in de 82e minuut door vuurwerkgeweld stilgelegd bij een 0-2 stand in Noord-Hollands voordeel. Passievol van gefrustreerde thuissupporters, betrokken vanwege clubliefde, maar ken je grenzen.

En daarna volgt steevast het ritueel van de officiële verbazing. Bestuurders die geschokt kijken alsof ze voor het eerst vuur zien branden. Veiligheidschefs die plechtig een ‘grondig onderzoek’ aankondigen. Stewards die plotseling lijden aan collectief geheugenverlies. Het hoort allemaal bij het draaiboek van het voetbalstadion anno 2026. Stadions zijn inmiddels Bermuda driehoeken: alles wat verboden is, verdwijnt erin om er vervolgens, brandend en knetterend, weer uit te komen.

Hoe het vuurwerk een stadion binnenkomt? Ik heb geen idee. Corruptie? Angst? Creatieve smokkelaars? Holle lichaamsholtes waar zelfs de anatomieboeken nooit van gehoord hebben? Wie zal het zeggen. Het mooie is: niemand vraagt het hardop. Want het antwoord zou weleens ongemakkelijk kunnen zijn. En ongemak is lastig, vooral als er volgende week gewoon weer kaartjes verkocht moeten worden.

Maar laten we vooral ook even stilstaan bij de ‘zogenaamde supporters’. U kent ze wel. Ze zeggen dat ze van hun club houden en tonen die liefde door spelers na de warming-up minutenlang in de kou te laten staan, wedstrijden ontregelen en het stadion veranderen in een mobiele chemische proefopstelling. Liefde voor de club, noemen ze dat.

Het ironische is: zonder vuurwerk vinden supporters het spelletje op de groene mat blijkbaar niet spannend genoeg. Negentig minuten voetbal is doorgaans saai, tenzij je supporter bent van passievol aanvallend spelende voetballende clubs als NEC of Telstar. Elders in de eredivisie is er kans is op rookontwikkeling, tinnitus en een boete van de KNVB. Het liefst allemaal tegelijk. 

Misschien moeten we het omdraaien. Geen fouillering meer. Geen controles. Gewoon bij de ingang een simpele vraag: ‘Heeft u vuurwerk bij u?’ Bij een ‘ja’ krijgt men geen stadionverbod, maar een spiegel. Met daaronder de vraag: ‘Ben je supporter, of slechts figurant in je eigen rookgordijn?’

Met nog drie competitiewedstrijden in de eredivisie te gaan, blijven we kijken naar uitgestelde aftrappen en spoorloos verdwenen verantwoordelijken. En vuurwerk. En blijven we dezelfde vraag stellen: hoe komt vuurwerk een stadion in? Antwoord: omdat wegkijken nu eenmaal makkelijker is dan opruimen. En omdat sommige fans liever knallen horen dan juichen. Wees eerlijk: in ontbloot bovenlijf zijn sommige voetbalfans toch echt meer Neanderthalers dan supporters.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

22 April 2026 om 14:33

‘Hé Gullit, werkt dat spul écht?’

Door Donald Esser.

Ik sta positief in het leven. Echt waar. Maar reclameblokken zijn mijn natuurlijke vijand. Zit ik eindelijk op de bank – journaal gehad, nul procentje, afstands-bediening binnen handbereik – word ik er genadeloos weer afgehaald. Niet fysiek, maar mentaal.

Als journalist en columnist kijk ik naar de wereld zoals die ons wordt voorgeschoteld: kritisch, een tikje cynisch, satirisch en humorvol. Dat helpt. Anders gooi je op een avond nog eens per ongeluk een VitaePro-lepel in een nul procentje.

Afgelopen maandag was het weer raak. Ik zapte weg met dat bekende gevoel: is dit normaal? Die spontane ergernis, gevolgd door een knagend restgevoel dat je niet uitzet met een ander kanaal. Want op elke zender is het raak.

Daar verscheen hij weer. Ruud Gullit. ‘Niet als voetbalanalist, maar in een commercial. Wereldvoetballer uit lang vervlogen tijden, icoon, monument, cultureel erfgoed. De dreadlocks zijn verdwenen, het haar is korter en grijzer, maar de glimlach staat nog altijd op standje absoluut vertrouwen. Hij leeft, vertelt hij ons, dankzij VitaePro. Leeft. Dat woord kiest hij zelf. Alsof het alternatief een vitrinekast in het Tropenmuseum was.

‘Hé Gullit’, zegt een toevallige voorbijganger die duidelijk auditie heeft gedaan voor meewerken aan de reclameboodschap, ‘werkt dat spul écht?’
‘Natuurlijk werkt het’, bezweert Ruud.
Ruud zegt het. En Ruud liegt niet. Ruud heeft ooit ook gezegd dat voetbal vooral leuk moest blijven, dus dit is feitelijk sluitend bewijs.

Nog geen dertig seconden later trekt dezelfde Ruud Skechers aan. Want wie soepel leeft door een poedertje in water glijdt vanzelf ook comfortabel in schoenen zonder veters. Skechers overigens, zijn vooral bekend om het handsfree aantrekken.

Topsport is gezond, zegt men. Maar als je op je 63e nog leeft dankzij een supplement en het handsfree aantrekken van schoenen vraag je je toch af of dat koppen in weer en wind misschien geen lichamelijke sluipmoordenaar was.

En Gullit is niet alleen. Het is het complete BN’er-circus dat zonder aanbellen onze huiskamer binnenstapt. Willeke Alberti, warm toegedekt in een stoel waar je nooit meer uitkomt, behalve met medische begeleiding of een rollator. Rob Kemps die bij Jumbo enthousiaster “JA!” roept dan hij ooit op het podium heeft gedaan. En wij maar denken: eet hij dit zelf? Zit Willeke – inmiddels vervangen door Tineke Schouten – daar ook op dinsdagmiddag of alleen zolang de camera loopt? En vergeet niet Beau van Erven Doorn, die clowneske en halsbrekende toeren uithaalt voor Social Deal.

Het wrange is niet eens de reclame. Het is de intimiteit. Dat gefluisterde vertrouwen. Die quasi-vriendschappelijke blik. Alsof Gullit elk moment kan zeggen: “Zal ik anders ook even naar je pensioen kijken?” Geen zorgen hoor, hij heeft vaker moeilijke ballen gehad.

En terwijl je je ergert, denk je na. Dat is het gevaarlijkste deel. Want jij weet dat het marketing is. Zij weten dat jij dat weet. En toch doen we collectief alsof dit een spontaan gesprek is tussen oude vrienden, van tv naar huiskamer. Omdat het werkt.

Misschien is dát de echte bijwerking van al die reclames: een lichte hoofdpijn, verergerd door herkenning. En het knagende besef dat als Gullit morgen een nieuw levenselixer aanprijst we weer kijken. Al is het maar om ons opnieuw te ergeren. Enne, ik gebruik geen VitaePro en loop niet op Skechers.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

15 April 2026 om 15:23

Schijf van Vijf; allemaal voor uw eigen bestwil

Door Donald Esser.

Er is goed nieuws. Of eigenlijk: er is nieuw nieuws. De Schijf van Vijf is vernieuwd. April 2026. Hij ziet er nog hetzelfde uit, maar hij denkt anders. Voortaan moet u plantaardiger eten. Duurzamer. Veiliger. En vooral: beter voor uzelf. Minder vlees, minder kaas, meer bonen, noten en dingen die vroeger gewoon vogelvoer waren.

Dat zegt het Voedingscentrum. Niet omdat u slecht eet, maar omdat u te druk bent om er zelf over na te denken. Dat doen zij nu voor u. Het is niet langer een advies, het is een rekenmodel. Bij elk hapje rekent iemand mee: broeikasgas, water, grond, verspilling. Uw stukje kaas is geen stukje kaas meer, het is een CO₂‑besluit. Maar maakt u zich geen zorgen: het is allemaal voor uw eigen bestwil.

Er is nu ook keuzevrijheid. U kunt kiezen uit vegetarisch, veganistisch en ‘andere voorkeuren’. Dat klinkt ruim, tot u denkt: maar ik wil gewoon af en toe een Crispy McDonald’s maaltijd. Dat mag. In theorie. De Schijf van Vijf is een soort IKEA-handleiding, maar dan voor eten. Zo moet het. Niet anders. Niet zelf knoeien. Drie stuks fruit, twee scheppen zuivel, een handje noten en vooral niet improviseren. Een croissant is geen ontbijt, het is een misstap. Een frikandel is geen snack, het is een opvoedkundig probleem.

Wat mij opvalt is het toontje. Dat vingertje. Alsof eten niet voelt, ruikt of smaakt, maar vooral gecorrigeerd moet worden. Als variatie zo belangrijk is, waarom voelt elke richtlijn dan als een schoolrapport? Met rode cirkels en het woord ‘onvoldoende’. Het probleem is niet broccoli. Het probleem is het idee dat eten opvoeding nodig heeft. Alsof iemand die elke dag langs McDonald’s loopt, wordt gered door een pastelgekleurde infographic. Alsof voedselkeuzes vooral een kennisprobleem zijn, en niet iets met tijd, geld, stress of gewoon zin hebben in patat.

De Schijf van Vijf presenteert zich als neutraal. Wetenschappelijk. Onafhankelijk. Maar elke schijf snijdt. Er zijn overlegtafels, afspraken, beleid. En beleid is nooit smaakloos. Richtlijnen moeten voor iedereen gelden, dus worden mensen gemiddelden: het gemiddelde lichaam, de gemiddelde dag, de gemiddelde hap. Alles wat afwijkt – cultuur, smaak, intuïtie, af en toe losgaan – verdwijnt tussen de vakjes. Wat ontbreekt, is mildheid. De erkenning dat eten meer is dan brandstof: plezier, troost, herinnering. Dat je vijf dagen salades kunt eten en in het weekend patat, shoarma of pizza, zonder dat er een sirene afgaat.

Misschien moeten we stoppen met schijven en beginnen met tafels. Waarop alles mag staan. En waar niemand met een meetlint naast je bord staat. Eet gevarieerd. Prima. Maar laat mij zelf bepalen wat dat betekent.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

1 April 2026 om 15:36

De zaterdagochtendvader

Door Donald Esser.

Er is een bijzonder fenomeen dat zich elke zaterdagochtend tussen 08.00 en 12.00 uur afspeelt in de supermarkt. Een biotoop waar menig gedragswetenschapper zijn scriptie op zou kunnen baseren: de zaterdagochtendvader. Een man die met goede bedoelingen en matige voorbereiding de winkel betreedt; een soort kruising tussen een padvinder en een verkeersregelaar die zijn diploma via een postordercursus heeft gehaald. Ja, je herkent ze meteen. Niet aan hun kleding, hoewel de combinatie van een softshelljack, slungelige spijkerbroek en sneakers uit 2018 een sterk signaal afgeeft, maar aan hun blik. Die mengeling van vermoeidheid, ambitie en lichte paniek: ik kan dit, ik ben een betrokken vader, hoe moeilijk kan voor een man boodschappen doen met de kinderen zijn?

Nou, behoorlijk moeilijk dus. Want daar lopen ze dan, de bonte stoet opgroeiend kinderstrooisel achter hem aan sjokkend. Met Floris, Fleur, Catootje of welke hockeynaam je tegenwoordig maar krijgt als jouw ouders een wijnabonnement hebben. Ieder kind uiteraard met een eigen mini-karretje, want het moet wel ‘educatief’ en ‘participatief’ zijn. Na drie minuten botsen die karren al vaker tegen nietsvermoedende medeshoppers dan dat ze daadwerkelijk iets functioneels vervoeren.

‘Floris, je rijdt tegen die meneer aan!’, roept vader dan op een toon die vooral suggereert dat hij zichzelf probeert te overtuigen dat hij nog enige autoriteit bezit. Floris kijkt hem aan zoals alleen een kind dat kan, met een blik van: wat ga je eraan doen, champion?

De route door de winkelpaden verloopt daarna in een steeds chaotischere spiraal. Vader probeert luid, nadrukkelijk en zeer sociaalvaardig gesprekken met andere vaders te beginnen; vaders die eveneens denken dat ze een soort broederschap van weekendhelden vormen. Ze praten hard, veel te hard, alsof ze in een dameskapsalon zitten waar roddelen bij de prijs is inbegrepen. “Jullie horen me wel, toch?” klinkt het door gangpad 3, waar ondertussen een discussie ontstaat over de juiste manier om broccoli te selecteren.

Terwijl vader met grootse gebaren de groene stronk vastpakt – alsof hij een biologische levenskeuze overweegt – stopt zijn kind doodleuk een zak chips in het eigen minikarretje. ‘Pap, ik neem deze.’  ‘Ja joh, gooi maar in je mini-karretje’, zegt vader, zonder ook maar op te kijken. Educatief proces afgerond: kind blij, vader klaar.’ Goede opvoeding begint tenslotte bij totale overgave.

En dan, de hel op aarde: de kassa. Hier transformeert elk kind in een emotionele gijzelaar onder wiens druk de vader acuut instort; een onderhandelaar met het talent van een doorgewinterde lobbyist. Het kind wil nog een kauwgompakje, voetbalplaatjes, een ijsje, een tijdschrift over dino’s, een knuffel; en vader geeft toe. Natuurlijk geeft hij toe. Hij staat al een uur in de overlevingsmodus. Vader zucht. Winkelpersoneel en klanten kijken meewarig toe. Je ziet ze denken: wat zielig voor die man. Waarom doet zijn vrouw dit niet gewoon?

En terwijl vader de supermarkt verlaat – één kind jengelend, één kind duwend, drie ongeplande producten verder – is er nog maar één vraag die in de lucht hangt: waarom doet hij dit zichzelf aan? Het antwoord is simpel: omdat hij denkt dat hij het kan. En omdat niemand het aandurft hem het tegendeel te vertellen. Zelfs zijn vrouw niet als hij moegestreden thuiskomt. ‘Schat, je bent de citroenen vergeten…’ Zijn vrouw had inderdaad de boodschappen kunnen doen. Maar dit is kennelijk quality-time voor haar. Even thuis zonder de kids, al is het maar een uurtje.

En eerlijk is eerlijk: er zit ook iets liefs in. Iets klunzigs, iets onhandigs, maar vooral iets oprechts. De zaterdagochtendvader bedoelt het goed. Hij doet zijn best. Hij wil erbij horen, meedoen, aanwezig zijn; al is dat soms met drie extra snacks en een kind dat met een karretje een halve incidentele schadepost veroorzaakt.

En toch: elke zaterdag doet hij het weer. Misschien omdat hij denkt dat hij het kan. Misschien omdat hij het eigenlijk stiekem best gezellig vindt. Of misschien, omdat niemand het hem meer durft af te nemen. De zaterdagochtendvader, een aandoenlijk project.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

25 Maart 2026 om 14:05

Echte agent? Even checken hoor…

Door Donald Esser.

Ik hoor het steeds vaker. En je ziet het ook vaker. Op tv of via de radio. Er staat weer zo’n man in een politiepak aan de deur die vraagt of hij ‘heel even binnen mag kijken’; omdat hij gehoord heeft dat in de buurt nogal wat dubieuze rakkers actief zijn. ‘Kom binnen’, dacht ik in eerste instantie enigszins overbluft. Alsof ik spontaan auditie wil doen voor Opsporing Verzocht. Het is de nieuwste vorm van deur‑aan‑deur terrorisme: geen energieleveranciers meer, geen glasvezelverkopers, maar verklede hobbyagenten met een badge van AliExpress. Maar natuurlijk liet ik hem niet binnen. Daar trap ik niet in. Maar toen…

Afgelopen zondag vluchtte ik vanuit mijn waterrijke dorp Vinkeveen naar het zonovergoten Noordwijk aan Zee. Even geen kalm kabbelende Vinkeveense Plassen, maar woeste golven die je er fijntjes aan herinneren dat je als mens eigenlijk helemaal niets voorstelt. Een verfrissend idee.

Maar vlak voordat ik de badplaats binnenreed, gebeurde het: blauwe zwaailichten, stopteken, en daar stond ik, aan de kant. Aangehouden. Na mijn ervaring van eerder deze week dacht ik: is ‘ie echt of niet? Dat werd de centrale levensvraag van dat moment.

Raampje naar beneden? Liever niet. Geen risico. Je weet het tegenwoordig niet meer. Voor hetzelfde geld heeft iemand een politieauto geprint op een 3D‑printer en rijdt hij vrolijk rond met een speelgoeduniform dat nog naar fabrieksplastic ruikt.

Dus terwijl ik daar aan de gesommeerde kant stilstond, geparkeerd in mijn eigen achterdocht, belde ik 112. Ik noteerde intussen het kenteken van mijn aanhouder. Ik observeerde zijn bewegingen. Ik bekeek de reflectiestreepjes op het uniform of ze wel op het juiste tempo meebewogen met de wind. Je moet wat. “U bent aangehouden”, zei de agent. “Haha, dat kan iedereen zeggen”, replyde ik door het glas heen. Misschien kwam ik iets te sceptisch over. Misschien was het een tikkeltje overdreven. Misschien. Achteraf zeker. Alles klopte. De auto echt, de agent echt, zelfs mijn snelheidsovertreding echt, jammer genoeg.

Maar goed, dat krijg je als je wekenlang wordt opgevoed door nieuwsberichten die je waarschuwen voor klonen van politiemensen en -auto’s, valse legitimaties en malafide uniformdragers die zelfs je deurbelcamera niet meer vertrouwt.

Blijf scherp, zeggen ze. Maar soms word je dan iets te scherp. Volgende keer als een agent mij aanhoudt, vraag ik eerst om twee referenties, drie handtekeningen en een recente loonstrook. Je kunt tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

18 Maart 2026 om 12:06

Dat is nieuws: lente tussen de brandhaarden

Door Donald Esser.

Het is weer lente in Nederland. Jawel: die tijd van het jaar, waarin de tulpen zich als trotse miniatuur-parachutes uit de koude grond werken, de narcissen overtuigend doen alsof zij persoonlijk de zon hebben uitgevonden en krokussen in zo’n razend tempo verschijnen dat je vermoedt dat ze elkaar aftikken in een soort florale estafette; net voordat de grasmaaier zijn jaarlijkse genocideronde inzet.

En dan hebben we het nog niet eens over de vogels. Die fluiten tegenwoordig zó enthousiast dat je je begint af te vragen of ze stiekem subsidie krijgen voor hun bijdrage aan het nationale humeur. Misschien zingen ze uit pure opluchting, dat zij geen talkshows hoeven te kijken. Of omdat ze weten dat er binnenkort weer mensen zijn die in korte broeken verschijnen terwijl het eigenlijk nog gewoon winter is.

Maar laten we eerlijk zijn: terwijl de merel boven ons zijn lente-opera inzet, staat de rest van de wereld op standje vlammenwerper. Een grootschalig conflict dat zich als een slechte Netflix-serie uitstrekt van Libanon tot Jemen, Oekraïne dat al jaren in oorlog ligt, Sudan dat steeds dieper in een burgeroorlog glijdt, jihadistisch geweld dat overal opduikt waar je het niet wilt en internationale spanningen die zich gedragen alsof ze dringend toe zijn aan relatietherapie. De geopolitieke thermostaat staat al tijden op ‘sauna’. Dat is nieuws!

En precies op dat moment, hier in ons vlakke, plassenrijke landje, barst een tulp open. Alsof de natuur bewust een komisch timingmomentje heeft: Dames en heren, terwijl de wereld in brand staat… tadaa! Gek genoeg biedt dat troost. Er zit iets bijna opstandig positiefs in het feit, dat de lente gewoon doorgaat. Alsof ze ons liefdevol bij de schouders pakt en zegt: “Joh, het leven is ingewikkeld genoeg. Kijk even naar deze bloem. Helemaal gratis.”

We hoeven ons natuurlijk niet schuldig te voelen als we daarvan genieten. De conflicten elders worden heus niet erger of minder doordat jij in De Ronde Venen of Uithoorn met de hond een rondje maakt langs prille lentebloesem. De wereld wordt niet beter als we met z’n allen somber in de regen gaan staan staren, wachtend op het volgende angstaanjagende Trump-pushbericht dat ons telefoonbeeldscherm komt verpesten.

Dus ja: laat ons halverwege maart vooral blij zijn. Laten we wandelen langs koeien die onverstoorbaar herkauwen alsof geopolitiek een keuzevakje is op de middelbare school. Laten we onze fiets parkeren naast een sloot waarin een eend met stoïcijnse blik lijkt te zeggen: “Je maakt je druk om de verkeerde dingen, vriend.” Geniet. Doe gek. Kijk een lammetje in de ogen en probeer je problemen te vergeten. Lukt je niet.

De wereld staat in brand. Dat is waar. Maar de lente weigert daar rekening mee te houden. En misschien, heel misschien, is dat precies het goede voorbeeld. Gewoon even leven bij de dag. Even meebewegen met het seizoen dat elk jaar opnieuw zegt: het komt wel, het groeit wel, het bloeit wel. Want morgen… je weet het niet. Maar vandaag ruikt naar vers gras. En dat is óók nieuws!

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

11 Maart 2026 om 14:32

Tanken in Duitsland

Door Donald Esser.

Ik zat dus, zoals het een regionaal journalist betaamt, bescheiden te mijmeren bij Wander, de populaire culinaire trekpleister aan het altijd kalm wiegende water op Eiland 1 aan de net te Instagrammable Vinkeveense Plassen. Vriend Paul tegenover me, blik op oneindig, hart vol dromen, maag nog voller, want de Flammkuchen was belegd met een combinatie die zelfs de chef waarschijnlijk als grap had bedoeld, met gorgonzola, daarnaast nam hij paling en boneless spareribs. Dat hadden we besteld. Een share-lunch. Als dit culinair mocht, dan mocht alles.

En daar gebeurde het. Paul, die doorgaans alleen bij volle maan goede ideeën heeft, zakte onderuit in zijn stoel, keek me aan met de blik van iemand die zojuist de economische wetmatigheden van de wereld had doorgrond en zei: “Hé Dook, Donald… Ik heb een moneymaker.”

Ik zette mijn glas Chablis neer alsof het champagne zonder bubbels was. “Benzineprijzen rijzen de pan uit”, vervolgde hij. Ik dacht al: oh nee, daar komt het. En hij zei: “Dus wat dacht je: we boeken een touringcar naar Düsseldorf, gaan adverteren, loopt zo vol. Iedereen mag twee jerrycans van 50 liter meenemen, beetje shoppen, beetje tanken, beetje rekenen… en klaar is Kees. Vakantiedagje plus rendement.” Hij lachte. Ik ook. Tenminste, ik dacht dat ik lachte, maar later bleek ik vooral naar adem te happen.

En het werd nog mooier. Want Paul, die normaal al blij is als hij twee sokken van dezelfde kleur vindt, vertelde trots dat een vriend van hem ooit miljonair werd met een creatief idee. Geen details, want geheimhouding en zo, maar dit wist ik: als het brein waaruit dat voortkwam ook deze jerrycan-expeditie had goedgekeurd, moesten we opletten.

Ik probeerde me de touringcar voor te stellen, vertrekkend vanuit De Ronde Venen en Uithoorn. Vijftig man, met zorgvuldig gesorteerde jerrycans in het bagageruim. En een chauffeur die bij de Duitse grens vriendelijk uitlegt waarom de bus op de terugreis zwaarder is dan een Boeing 737. Een douanier die zich afvraagt of er misschien iemand een oliemaatschappijtje in wording het land binnen probeert te smokkelen. En natuurlijk Paul, die bij de eerste pomp al vergeefs zoekt naar de volumekorting knop. “Moeten we nog wel even vragen of het mag”, zei hij.

Toch zag ik het langzaam voor me: een complete dagtocht, inclusief lunchje, winkeltijd in Düsseldorf en een mathematisch rekenmodel waarin voor de ‘toeristen’ de winst per liter wordt afgezet tegen de kosten van broodjes currywurst. Daar kan geen beleggingsadviseur tegenop.

Ik vroeg Paul of hij zeker wist dat dit legaal was. Hij keek over het Vinkeveense water naar de horizon alsof daar het antwoord stond. “Alles is legaal”, zei hij, “tot iemand zegt dat het niet zo is.”

En zo zaten we daar. Twee mannen aan de Vinkeveense Plassen, één met een dromerige blik, één met een notitieblok voor noodgevallen. Paul zag zichzelf al op de cover van Quote, ik zag ons vooral terug op de voorpagina van de Nieuwe Meerbode onder de kop: ‘Regio’s eerste benzinetoerisme-expeditie strandt…’

Maar eerlijk is eerlijk: dat uitzicht bij Wander, dat zonnetje, die fantááástische Flammkuchen, het doet iets met een mens. Je gaat erin geloven. Heel even maar, en dan nog vooral omdat het leven soms gewoon vraagt om een absurd idee dat onmogelijk lijkt… Tot iemand het probeert. En nee, we hebben het niet gedaan. Nog niet…

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

4 Maart 2026 om 09:38

Vier kilometer te hard rijden is het Nieuwe Goud

Door Donald Esser.

Er zijn gemeenten die floreren dankzij innovatieve startups, economische impulsen of toerisme. En dan heb je De Ronde Venen. Hier draait de lokale economie, pardon, de rijksbegroting, op automobilisten die nét iets te veel vertrouwen hebben in hun gaspedaal. Of een iets te zware rechtervoet. Of, en dit is de populairste categorie, iemand die precies vier kilometer per uur te hard rijdt. Na correctie. Ja, ook na correctie blijft het geld lekker binnenstromen. Het is mij menigmaal overkomen.

Afgelopen jaar tikte de opbrengst van verkeersovertredingen in onze gemeente de 9,7 miljoen euro aan. Dat is 27 procent meer dan in 2024. Niemand weet wat harder steeg: de inflatie of het aantal boetes. Maar goed, de overheid moet ook ergens van leven. En wie kan het ze kwalijk nemen? Wij blijkbaar niet, want we blijven gestaag ‘doorflitsen’ alsof we de Staatsloterij sponsoren.

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid, tegenwoordig ook bekend als het Ministerie van ‘We Zien Alles’, wijst trots op de focusflitser. Dat apparaat kijkt niet alleen of u te hard rijdt, maar ook of u tijdens het rijden uw telefoon vasthoudt, uw telefoon denkt vast te houden of eraan zit te denken om uw telefoon misschien op te pakken. De focusflitser heeft in De Ronde Venen een kleine 307.000 euro binnengehaald. Een bedrag waarvoor je vroeger nog een starterswoning kon kopen. In 1973. In Drenthe.

Vorig jaar reden automobilisten maar liefst 107.834 keer te hard. Het totaalbedrag? Een bescheiden 8,8 miljoen euro. Dat is geen inkomstenbron meer, dat is een businessmodel. De populairste overtreding? De klassieker: vier kilometer te hard op de snelweg. Een subtiele, bijna verfijnde vorm van criminaliteit. Het gebeurde 18.897 keer, goed voor ruim 508.000 euro. Het is wachten tot de overheid de 4 km/p.u. te hard rijden opneemt in de Nationale Inventaris Immaterieel Erfgoed.

Ondertussen zijn er in De Ronde Venen zo’n 240 huishoudens die hun boete zelfs na twee aanmaningen niet betalen. Waarschijnlijk omdat ze eerst hun hypotheekadviseur moesten bellen. Tegen de tijd dat de derde brief op de mat ploft, is die boete namelijk al 2,5 keer hoger. Je zou bijna wensen dat de overheid deze rekentechniek ook toepast bij het minimumloon.

Maar één ding is duidelijk: de verkeersboete is de nieuwe Groningen-gasbel. Onuitputtelijk, voorspelbaar en volledig afhankelijk van ons gedrag. Dus als u binnenkort weer door De Ronde Venen rijdt: glimlach naar de flitser. U sponsort tenslotte een goed doel, de rijksbegroting.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

25 Februari 2026 om 13:50

Sneeuw is voor ijsberen

Door Donald Esser.

Het is weer die tijd van het jaar. De tijd waarin je in Uithoorn en De Ronde Venen ineens overal rust ziet. Geen slingerende scholieren meer op de fiets, geen pubers die drie kwart van het fietspad in beslag nemen, omdat ze als groepje van zes ‘naast elkaar móéten fietsen’. De basisscholen zijn leeg, de straten stil, de dagelijkse file bij de Amstelkruising lijkt voor even een vergeten traditioneel streekproduct.

Want, we zijn op wintersport. De nationale volksverhuizing. Alsof heel Nederland een seizoensgebonden reflex heeft, waarmee we bij de eerste ontluikende krokus automatisch in de auto springen. Massaal richting Oostenrijk, Frankrijk, Italië: elke vallei waar de Schnitzel XXXL groter is dan je eigen kind en waar men het woord ‘gratis kraanwater’ beschouwt als een belediging.

En natuurlijk begint het avontuur al op de A3 bij Oberhausen, waar de file zo lang is dat je onderweg hechte vriendschappen sluit met de inzittenden van de auto naast je. Daar zitten ze dan: papa, die al vier uur stilzwijgend op het stuur bijt; mama, die met haar laatste restje hoop probeert de kinderen te entertainen; en diezelfde kinderen, die precies vijf minuten na vertrek vroegen: ‘Zijn we er al?’ ‘Ja lieverd, bijna.’ Nog maar 700 kilometer en drie keer plassen in een berm waar het ruikt naar teleurstelling.

En dan die dakkoffer. Dat mysterieuze zwarte object dat je elk jaar opnieuw met drie man op het dak moet tillen terwijl de buurman toekijkt alsof hij de livestream van ‘Help, mijn man is klusser’ gratis krijgt. Er kan van alles in: ski’s, snowboards, laarzen, winterkleding, ego’s die te groot zijn voor de kofferbak. Sommige mensen beweren zelfs dat hun schoonmoeder er precies in past. Niet dat ze dat zouden doen natuurlijk. Officieel dan.

Even een leuke anekdote: een bekende uit Wilnis vertelde me ooit dat hij zijn dakkoffer zo vol had gestouwd dat hij halverwege Duitsland merkte dat de rits niet goed dichtzat. Bij elke hobbeltje vloog er een willekeurig wintersportattribuut uit. Eerst een handschoen. Toen een helm. En bij Keulen zelfs een skischoen. Hij heeft niet eens de moeite genomen om te stoppen: ‘Ach, ik ga toch alleen voor de après-ski.’ En dat begrijp ik. Want zodra je na twaalf uur rijden, zeven keer ruzie maken en drie zakken Haribo eindelijk op de plaats van bestemming komt, begint het ‘echte’ vakantiegevoel natuurlijk pas de volgende dag wanneer je met je bedwelmde knieën in een veel te strakke skischoen probeert te stappen. Terwijl je jezelf voor de spiegel staat af te vragen waarom je hier ook alweer voor betaalt.

De afdaling die in de folder blauw heet, blijkt in de praktijk vooral glad, steil en ontworpen door iemand met een duister gevoel voor humor. Kinderen razen met 80 km/u langs je heen alsof ze zijn geboren met ski’s aan hun voeten. Jij daarentegen, jij bent bezig met een gecontroleerde vorm van vallen waarvan je hoopt dat het er enigszins sportief uitziet.

Maar dan: de redding. De après-ski. Het enige onderdeel van de wintersport dat wél universeel wordt gewaardeerd. Waar volwassenen uit De Ronde Venen en Uithoorn op banken staan te dansen, alsof niemand thuis ooit gaat horen hoe ze ‘Anton aus Tirol’ hebben meegebruld. Waar bierglazen de inhoud hebben van een gemiddelde regenton of een pul bier waar je in Nederland een middelgrote aquariumvis in kunt houden. En je concludeert: ja, dáárvoor ben ik gekomen. Het is ook enige moment waarop volwassen mensen zonder schaamte op banken mogen dansen en foute hits uit de jaren ’90 meebrullen. Want sneeuw? Laten we eerlijk zijn: sneeuw is voor ijsberen. Wij zijn meer van tulpen, koffie en klagen over het weer. Gelukkig kan dat in de Alpen ook uitstekend.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  

Column: ‘Donald denkt door’

18 Februari 2026 om 16:25

De omhelzing die de wereld nodig had

Door Donald Esser.

Er zijn momenten in de wereldgeschiedenis die alles veranderen: de landing op de maan (Neil Armstrong, 1969), de val van de Berlijnse Muur (1989), en nu de omhelzing van Femke Kok en Jutta Leerdam in Milaan (2026). Twee Nederlandse vrouwen die internationale spanningen wisten te bezweren door simpelweg keihard te schaatsen en daarna nóg harder te knuffelen. Poetin en Trump kunnen er wat van leren.

Op het ijs van Milaan smolt afgelopen weekend de baan sneller dan een gelato in augustus. De schaatsers zijn er blij mee, de ijsmeesters niet. Die hebben inmiddels zulke zenuwtrekjes, dat ze ’s nachts in hun slaap de dweilmachine proberen te besturen. Maar Femke en Jutta? Die gleden eroverheen alsof het een catwalk was: de één met internationale glamour, de ander met pure Friese nuchterheid. Het perfecte duo. Vriendinnen. Respect! Alsof je een Prada-jurk combineert met klompen. En tot ieders verbazing werkt het nog ook.

Jutta Leerdam, onze glamourmachine, reed op de duizend meter niet alleen Olympisch goud, maar ook regelrecht een nieuwe sponsordeal met waterproof mascara tegemoet. De camera’s hadden weinig keuze. Ze volgden haar automatisch, zoals miljoenen volgers richting een flitsende influencerlamp. Ondertussen stond Femke Kok naast haar, oernuchter. Zij haalde een diepe adem die alleen Friezen lukt: een zucht zo stevig dat het vermoedelijk invloed had op de luchtdruk in het stadion.

En tussen al dat sportieve geweld zat Jake Paul, de Amerikaanse miljoenenvriend van Leerdam, in tranen op de tribune. Tranen van een man die normaliter alleen huilt als een YouTube-video minder dan een miljoen views haalt. Het was pure liefde, pure ontroering of misschien pure paniek: “Wat als ze nóg sneller wordt en ik haar straks niet meer kan bijhouden?”

Toch was het Femke Kok die de mooiste rol speelde: de stille kracht achter het schaatsgeweld, de vrouw die liever doucht dan poseert en die tóch als een speer over het ijs ging. Twee Nederlandse vrouwen die zo snel schaatsen, dat Italië serieus overweegt om een maximumsnelheid op het ijs in te voeren.

Maar het échte hoogtepunt was de omhelzing. Die stevige, warme, niets-aan-de-hand knuffel na hun races; een moment zo groot dat zelfs de internationale diplomatie er jaloers op was. Even geen gedoe, geen geo-politieke ruzies, geen complottheorieën. Alleen twee vrouwen die elkaar feliciteren, omdat ze de rest van de wereld lachend hebben weg geschaatst.

En zo kreeg Nederland precies wat het nodig had: geen brood, geen spelen, maar een knuffel. Een Olympische hug die alle wereldproblemen voor minstens vijf minuten deed vergeten. Heldinnen, allebei. Met snelheid, bewonderingswaardige stijl (Jutta) en een koele zucht uit Friesland (Femke), die nog lang zal nagalmen in Milaan.

Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

  •  
❌