Er zijn honderden componisten van wie de achternaam met een B begint, maar de meesten zijn in de vergetelheid geraakt. Van zeven B’s laat Laurens horen dat ze nooit in de vergetelheid zullen raken.
Het openingsstuk is van de Duitse Deen Dietrich Buxtehude. Hij behoeft hier nauwelijks een introductie. Zijn manier van orgelspelen, later voorzien van het etiket styles phantasticus, werd zeer bewonderd door zijn tijdgenoten onder wie de jonge Johann Sebastian, die er als twintigjarige een voettocht van 400 km voor over had om Buxtehude te horen spelen.
Béla Bartóks Mikrokosmos, geschreven tussen beide wereldoorlogen, bestaat uit 153 korte piano-etudes die steeds een facet van het pianospel onder de loep nemen. De moeilijkheidsgraad is oplopend van beginners- tot professioneel niveau. Het ostinato is bijvoorbeeld ritmisch bijzonder lastig. Bartók schreef erbij hoe snel ze gespeeld moesten worden (ostinato in 2 minuten en 5 seconden). Hij vond het goed dat ze ook voor andere instrumenten werden bewerkt.
Bachs Triosonates zijn de hogeschool van het orgelspel. Ze klinken vaak verraderlijk eenvoudig; dat is schijn. De voeten op het pedaal, de linker- en de rechterhand op twee manualen bewegen volstrekt onafhankelijk van elkaar en dat maakt het moeilijk. Bach schreef ze o.a. voor zijn zoon Wilhelm Friedemann, zodat die zich ermee kon presenteren als een goed organist.
Beethoven wordt eerder met de piano dan met orgel in verband gebracht, maar zijn leraar in Bonn was de organist van de hofkapel Christian Neefe en de jonge, getalenteerde Ludwig werd zijn assistent. Zijn Vijf stukken voor Flötenuhr dateren uit 1793 toen hij al in Wenen woonde. We horen er drie.
Gerard Bunk is momenteel weinig bekend, maar in de eerste helft van de vorige eeuw was hij een bekend pianist en organist, die zijn hele werkzame leven in Duitsland doorbracht en daar ook overleed. Zijn orgelcomposities zijn in een laatromantische stijl, die, volgens het blad Het Orgel, overeenkomt met de stijl van Jan Zwart.
Brahms’ muzikale nalatenschap is groot – symfonieën, koorwerken, liederen, pianostukken, kamermuziek, soloconcerten -, maar het orgelaandeel is bescheiden. De prelude en fuga in g-mineur schreef hij toen hij halverwege de twintig was. Het werk – vooral de prelude – is ‘onstuimig’ en nogal pianistiek geschreven.
De laatste B: Bernstein briljant bewerkt; een bloedlinke, bizarre, beestachtige beleving. Feest!!