Column: ‘Donald denkt door’
Sneeuw is voor ijsberen
Door Donald Esser.
Het is weer die tijd van het jaar. De tijd waarin je in Uithoorn en De Ronde Venen ineens overal rust ziet. Geen slingerende scholieren meer op de fiets, geen pubers die drie kwart van het fietspad in beslag nemen, omdat ze als groepje van zes ‘naast elkaar móéten fietsen’. De basisscholen zijn leeg, de straten stil, de dagelijkse file bij de Amstelkruising lijkt voor even een vergeten traditioneel streekproduct.
Want, we zijn op wintersport. De nationale volksverhuizing. Alsof heel Nederland een seizoensgebonden reflex heeft, waarmee we bij de eerste ontluikende krokus automatisch in de auto springen. Massaal richting Oostenrijk, Frankrijk, Italië: elke vallei waar de Schnitzel XXXL groter is dan je eigen kind en waar men het woord ‘gratis kraanwater’ beschouwt als een belediging.
En natuurlijk begint het avontuur al op de A3 bij Oberhausen, waar de file zo lang is dat je onderweg hechte vriendschappen sluit met de inzittenden van de auto naast je. Daar zitten ze dan: papa, die al vier uur stilzwijgend op het stuur bijt; mama, die met haar laatste restje hoop probeert de kinderen te entertainen; en diezelfde kinderen, die precies vijf minuten na vertrek vroegen: ‘Zijn we er al?’ ‘Ja lieverd, bijna.’ Nog maar 700 kilometer en drie keer plassen in een berm waar het ruikt naar teleurstelling.
En dan die dakkoffer. Dat mysterieuze zwarte object dat je elk jaar opnieuw met drie man op het dak moet tillen terwijl de buurman toekijkt alsof hij de livestream van ‘Help, mijn man is klusser’ gratis krijgt. Er kan van alles in: ski’s, snowboards, laarzen, winterkleding, ego’s die te groot zijn voor de kofferbak. Sommige mensen beweren zelfs dat hun schoonmoeder er precies in past. Niet dat ze dat zouden doen natuurlijk. Officieel dan.
Even een leuke anekdote: een bekende uit Wilnis vertelde me ooit dat hij zijn dakkoffer zo vol had gestouwd dat hij halverwege Duitsland merkte dat de rits niet goed dichtzat. Bij elke hobbeltje vloog er een willekeurig wintersportattribuut uit. Eerst een handschoen. Toen een helm. En bij Keulen zelfs een skischoen. Hij heeft niet eens de moeite genomen om te stoppen: ‘Ach, ik ga toch alleen voor de après-ski.’ En dat begrijp ik. Want zodra je na twaalf uur rijden, zeven keer ruzie maken en drie zakken Haribo eindelijk op de plaats van bestemming komt, begint het ‘echte’ vakantiegevoel natuurlijk pas de volgende dag wanneer je met je bedwelmde knieën in een veel te strakke skischoen probeert te stappen. Terwijl je jezelf voor de spiegel staat af te vragen waarom je hier ook alweer voor betaalt.
De afdaling die in de folder blauw heet, blijkt in de praktijk vooral glad, steil en ontworpen door iemand met een duister gevoel voor humor. Kinderen razen met 80 km/u langs je heen alsof ze zijn geboren met ski’s aan hun voeten. Jij daarentegen, jij bent bezig met een gecontroleerde vorm van vallen waarvan je hoopt dat het er enigszins sportief uitziet.
Maar dan: de redding. De après-ski. Het enige onderdeel van de wintersport dat wél universeel wordt gewaardeerd. Waar volwassenen uit De Ronde Venen en Uithoorn op banken staan te dansen, alsof niemand thuis ooit gaat horen hoe ze ‘Anton aus Tirol’ hebben meegebruld. Waar bierglazen de inhoud hebben van een gemiddelde regenton of een pul bier waar je in Nederland een middelgrote aquariumvis in kunt houden. En je concludeert: ja, dáárvoor ben ik gekomen. Het is ook enige moment waarop volwassen mensen zonder schaamte op banken mogen dansen en foute hits uit de jaren ’90 meebrullen. Want sneeuw? Laten we eerlijk zijn: sneeuw is voor ijsberen. Wij zijn meer van tulpen, koffie en klagen over het weer. Gelukkig kan dat in de Alpen ook uitstekend.
Het bericht Column: ‘Donald denkt door’ verscheen eerst op Nieuwe Meerbode.

